Bemalingsgeschiedenis

KRONIEK
2006-molens

Beschrijving van het ontstaan van de bemalingsgeschiedenis in de Vijfheerenlanden

C. Spek Azn., molenaar van de Hoekmolen te Hei-en Boeicop

Dat was een goed idee, van de orde van Sint Maarten in Utrecht, om ook in Heicop de moeraslanden te laten ontginnen. Hoe kwamen ze zo? Nou, net als nu had men ook rond het jaar 1100 al ruimtegebrek, zij het in kleiner verband.
Rondom Utrecht werden de landerijen schaars, en daarom werd het aanlokkelijk gemaakt om als pionier op hoger gelegen plaatsen in het moeras zich te gaan vestigen om nieuw land aan te gaan winnen.

Moeras

Zoals het op meerdere plaatsen ging, ook hier kwamen deze ondernemende lieden, vestigden zich op een hoger gelegen plaats, en gingen aan het werk in het moeras. Rond deze tijd was het nog mogelijk, om via een natuurlijk verloop, alleen maar door het maken van kleine dijkjes, een stuk moeras droog te maken. Het land was hoger dan het rivierpeil, zo konden de hoge heren iets voor zichzelf regelen. Op deze manier ontstonden veel ontginnings-gebieden en werd onze streek, bezuiden de Lek, langzamerhand bewoond.

Door het onttrekken van water uit het moeras, ging wel het land inklinken d.w.z. het maaiveld werd lager. Ook de rivierbeddingen kwamen door verzanding steeds hoger te liggen.

Dit had als gevolg dat er grote problemen ontstonden voor de bewoners, het kwam in 1400 zelfs zover dat het water niet meer langs natuurlijke weg afgevoerd kon worden, omdat het rivierpeil hoger was geworden dan het land. Regelmatig stonden daardoor de landerijen blank, en bij laag water weer droog, maar daardoor kon men steeds weer één of twee seizoenen niets met de grond beginnen. Al deze moeilijkheden bleven natuurlijk niet onopgemerkt bij de overheid, en er werd naarstig gezocht naar oplossingen.

Mede door dit probleem werd de druk hoog om een oplossing te zoeken en een idee kwam van hen die veel reisden naar zuidelijke landen zoals Egypte.
(kruistochten) Daar zag men windmolens die gebruikt werden om land te bevloeien. Dus net andersom als bij ons benodigd, maar toch hetzelfde systeem: wateropvoer vanaf een lager peil!

Tekening van een wipmolen met open toren met de titel ‘Windmolen’ door Claes Visscher (1587-1652)

Uitgaande van dit gegeven is men hier ten lande de eerste windwatermolen gaan ontwikkelen. Eerst nog een klein model, maar steeds meer land-            eigenaren gingen met molens  werken. U begrijpt al, wat het volgende probleem ging worden: juist, diegenen die op deze manier gingen afwateren, zadelden meestal hun buren met een probleem op: die kregen het water erbij en moesten dus veel meer afvoeren. Wijze mensen hebben toen bedacht: om grotere gebieden gezamenlijk af te gaan malen. Het water moest uiteindelijk terechtkomen op een doorgaand water, riviertje of veenstroompje dat uiteindelijk met open zee in verbinding stond. Hierdoor was nogal wat overleg nodig.

Men vormde daarvoor in die tijd in ons land het eerste bestuurlijk orgaan voor kleinere groepen: de hoogheemraadschappen. Deze werden ingesteld op kleinere schaal, echter volgens de nu nog geldende samenstelling. Zo ontstonden polderbesturen zoals, Neder- en Over-Heicop, Neder- en Over-Boeicop, Achthoven, Lakerveld, Polder de Eendracht (buitendijks bij Lexmond) enz.

De molens werden hierdoor verder ontwikkeld. In Nederland zijn uiteindelijk de grootste windmolens ontstaan, wel met een wiek-lengte van 29 meter. Ook werd men inventief op het gebied van windenergie voor andere gebruikers. We kunnen gerust zeggen dat mede door deze ontwikkelingen, de molen steeds meer werd toegepast als energiebron in de industrie. Men kon nu een ronddraaiende beweging van de machines in fabrieken verkrijgen. Pompen, houtzagen, olieslaan, korenmalen, in principe was alles mogelijk.

In de steden, denk o.a. aan Dordrecht, Gorinchem, de Zaanstreek, hebben tientallen molens gestaan ten behoeve van deze toepassingen. Ook werd bedacht om, ook weer wegens ruimtegebrek, middels deze grote molens vele binnenmeren in ons land droog te malen. Er zijn vele te noemen, denk maar aan de Purmer, de Schermer, de Beemster. Zonder deze ontwikkeling, zonder gebruik van de windenergie, zou het lager gelegen deel van Nederland niet hebben bestaan!!

Doordat men steeds grotere gebieden ging ontwateren, werden de watermassa’s steeds meer. Hiervoor moesten soms ook nieuwe watergangen worden gegraven. Om er enige te noemen in onze streek: al heel vroeg, in 1200, werd het noodzakelijk om het water uit Hagestein en Everdingen anders af te voeren. Tot dan toe, geschiedde dit via de Haagwetering naar de Helsloot bij Vianen en dan via Helsdingen en de uiterwaarden bij Lexmond in de Lek.

Omdat dit over de zandrug heen moest van een vroegere rivierbedding (Helsdingen) werd dit onmogelijk. Er is toen besloten door o.a. Huibert van Everdingen om een geheel nieuwe afwatering te graven, van Hagestein-Everdingen, langs Schoonrewoerd, naar de Zederik. Dit water, de Huibert genoemd is nu nog steeds een belangrijke ader in de totale waterhuishouding.

De afwatering van vele polders verliep via de Zederik, het veensroompje dat later is gekanaliseerd en nu het Merwedekanaal is, uitmondend in de Merwede bij Gorinchem. Doordat de toevoer te veel werd, is in 1370 besloten de Oude Zederik van Meerkerk naar Ameide (Sluis) te verdiepen en verbreden. Pas in 1763/64 werd daar een zogenaamde winterberging gemaakt, door middel van een nieuwe arm, waarlangs nu nog de Zederikkade ligt. (deze wordt nu de Nieuwe Zederik genoemd) Voor de bemaling zorgden acht poldermolens, waarvan er zeven nieuw werden gebouwd.

In Sluis heeft ook buitendijks een molencomplex gestaan. In 1672 werden de buitendijkse molens door de Fransen in brand gestoken. In 1739 werden er vijf herbouwd. Samen met de binnendijkse molens was het complex te vergelijken met dat te Kinderdijk.

Vlg. bijgaand citaat had Hei-en Boeicop hierbij veel baat, terwijl zij in een later stadium laten weten niet meer mee te willen betalen.

Geheel boven de buitenboezem bij Sluis met de 5 molens en daaronder de Hoge Boezem met de acht molens.

Citaat uit ‘De molens van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden’:

De bouw van nieuwe boezemmolens bij Ameide.
Door het graven van het Pannerdensekanaal in de periode 1701-1707, waardoor meer water naar de Rijn en dus ook naar de Lek kon stromen, steeg het peil in de Lek opnieuw, met als gevolg veel waterbezwaar in de polders.De polders stonden, ‘s winters soms 10 à 12 weken onder water. Het polderbestuur van Heicop nam daarom op 12 mei 1722 het initiatief tot de herbouw van de molens bij Ameide. Het plan werd echter weggestemd.
Op aandringen van Heicop werd uiteindelijk op 22 juli 1739, 17 jaar later!, toch besloten vijf nieuwe molens te bouwen. In diezelfde maand stonden de verschillende polders nog 70 cm boven het zomerpeil waardoor de nood hoog was gestegen.Op 4 september werd te Sluis de bouw van de molens publiek aanbesteed en in het voorjaar van 1740, dus al na een half jaar, waren de molens gereed en kon de Zederik weer over boezemmolens beschikken.
De uitgevoerde werken tot beheersing van de boezem bleken echter niet afdoende. Daarom werd in 1761 het besluit genomen om nog eens 8 molens te bouwen.
Deze molens zouden aan de Oude Zederik komen te staan. Hiertoe moest in de noordwesthoek van de polder Achthoven een zij-arm aan die boezem worden gegraven.
De polder Achthoven moest een deel van zijn grond voor de inrichting van een binnendijks gelegen hoge boezem afstaan.
Er is veel geharrewar geweest over de verdeling van de stichtingskosten over de verschillende polders. Vooral de polders Everdingen, Hagestein, Zijderveld, Over-Boeicop en Over-Heicop meenden geen of minder belang bij de verbeterde boezem-bemaling te hebben, omdat zij door hun hogere ligging minder bemaling nodig hadden.

Ook nu nog, anno 2006 wordt ons gebied droog gehouden door vele gemalen. Je ziet ze overal in de polder staan. Niet meer zo kolossaal als eertijds de grote, trotse molens, maar verscholen als klein gebouwtje in het struikgewas.
Sommige gemalen zijn nog gevestigd in de voormalige stoomgemaal gebouwen en zijn zelfs tot monument gemaakt, evenals de nu nog bestaande windmolens.

Over de Molens:

Er hebben in onze streek hierdoor uiteraard veel molens gestaan, op de laagst gelegen gedeelten van de ingerichte polders.
In het landschap zijn op veel plaatsen nog de overblijfselen in het landschap te vinden, van molenstomp, watergang, tot een hobbel in het landschap.
In de Vijfheerenlanden zijn slechts 4 molens overgebleven: 1 te Leerdam (Ter Leede) 2 in Lexmond (Vlietmolen en Bonkmolen) en
1 in Hei-en Boeicop (Hoekmolen).
Het grootste gedeelte van de molens is rond 1925 afgebroken

De Hoekmolen van de polder Neder-Heicop, met op de achtergrond het stoomgemaal van De Huibert.

Het molenbestand in de Vijfheerenlanden was vroeger:
Achthoven 2 stuks; Autena 2; Blommendaal 2; Boezem Zederik 14; Bolgarije 3; Oosterwijk 2; Middelkoop 2; Kedichem 5; Kortgercht/
Schayk 5; Lakerveld 4; Lexmond 2; Neder-Heicop 2; Nieuwland/
Leerbroek 9: Hagestein 1; Vianen 2; Quakernaak 1; Spijk 1; water-schap de Huibert 2; Bruinsdel/Hoog Leerbroek 2; Hoog Middelkoop- Loosdorp- de Meent 3 en Over/Neder-Boeicop 3.
Totaal dus 69 windwatermolens om de Vijfheerenlanden droog te houden!

De Peilmolen van de Zederikboezem te Neder-Heicop

 

1 reactie

  1. Molenaar Jacob de Wildt.
    Me moeder Nelly den Hartog heeft daar veel gelogeerd, geboren 14-10-1919. Het was haar opa en oma.
    Een oom van haar Gijs de Wildt woonde op de achterlandse molen in Groot-Ammers.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.