Geschiedenis van Lakerveld (5)

KRONIEK
1999-5

Aflevering 5

Door Peter de Pater

De polder

In dit verhaal zal ik wat vertellen over de geschiedenis van de zeven Lakerveldse molens. Ik zal slechts hun historie behandelen, en me verwonderen over dit hoogstaande staaltje van bouwkunst van onze voorouders. Voor de technische details van molens is binnen onze vereniging een specialist aanwezig, die hier veel meer van weet, en bovendien gediplomeerd molenaar is. Hoewel het bouwen van molens een specialisme was, was het ook nog een zeer gezellige bezigheid. Dit blijkt o.a. uit de verhalen van P. Horden Jzn. in zijn boek “Een kleine geschiedenis van het land van Vianen” uit 1953. In 1762 werd besloten om 7 nieuwe molens op Sluis (bij Ameide) te bouwen, en bovendien de nog steeds bestaande zijarm van de Zederik aan te leggen.

De Schout en Schepenen van Lexmond kregen opdracht van de Staten van Holland om er vooral voor te zorgen dat er voor het werk-volk voldoende bier, jenever en brood te krijgen zou zijn. (De volgorde is leuk.) De Lexmondse en Achthovense herbergiers zullen waarschijnlijk hun best hebben gedaan, maar toch komen er klachten van het werkvolk dat ze te lang op hun bestelling moeten wachten. Hoewel al op 25 en 27 november 1762 als extra herbergiers werden benoemd: Gerrit Besoyen, Peter Hardenbol, Claas Versteeg en op 7 januari 1763 nog eens Jan Cortenoever en Bastiaan Frederikse, kregen op 23 april 1763 de Schout en Schepenen opnieuw de opdracht dat er sneller op de bestellingen moest worden gereageerd. De omschrijving van de baan van de extra herbergiers was trouwens ook aardig: “Tappers of Herbergiers in Bieren, Wijnen, Brandewijnen en gedistilleerde Wateren, als mede als slijters in brood”.

P. Horden vermeldt niet of er slachtoffers gevallen zijn tijdens het bouwen. Maar gezien het voorgaande kan ik me nauwelijks voorstellen dat al dit werk op deze manier goed afliep. Hoewel de techniek van de watermolen een knappe prestatie was, had dit bouwwerk tijdens grote overstromingen het nadeel dat het voor het grootste deel uit hout was opgetrokken. Wanneer de molens onder water hadden gestaan, hadden ze tijd nodig om te “drogen”, voor alles weer werkte. Terwijl ze juist dan heel hard nodig waren.

De zeven Lakerveldse molens:
Iedere Lexmonder kent natuurlijk de Driemolensweg: leuke weg om te fietsen of te wandelen, als we het geraas op de A27 tenminste voor lief nemen. De Driemolensweg dankt zijn naam (ooit bedacht door Goof Schep >) aan de volgende drie molens:

  1. De Plukkopmolen
  2. De Overtochtse of Roode molen
  3. De Vlietmolen, of Oude Vlietmolen

Deze drie worden in dit verhaal behandeld, de andere vier:
De Lekkerse, de Bonk of Benedenste, de Kievit (kort) en de Scherp-wijkse in de volgende aflevering.

1. De Plukkopmolen
Laten we aan de Achthovense kant beginnen. De naam Achthoven gebruik ik met nadruk, omdat de eerste molen vooral van belang was voor de boeren langs de Lekdijk. Maar zonder deze molen geen naam Driemolensweg.
Die eerste “molen” die we tegenkomen is dus de romp van de Plukkop. (In de geschiedenis soms onjuist Vlietmolen genoemd en op het naambord bovenaan de molen gespeld als Pluckop)
Wanneer deze gebouwd is, is onbekend, maar de oudst mij bekende vermelding dateert uit 1756. Merkwaardig is het feit dat dit een verplaatste molen is. Tot 1756 stond de Plukkop op het Ros of Tresbogerdje vlak tegen de Spinhovense kade.(zie detailkaartje hier-naast), met een open verbinding naar de Zederik via de zogenaamde Lexmondse wetering, ook wel aangeduid als Molenwetering.
Als we vanaf de Plukkop naar de Driemolensweg wandelen is dit de dichtgegroeide sloot aan de rechtse kant. In 1756 werd de molen verplaatst naar de huidige positie en daarmee begonnen wat pro-blemen. De molen stond nu precies op de grens van Lakerveldse, Lexmondse en Achthovense waterbelangen.
De belanghebbenden kwamen er niet uit wie voor de kosten van het onderhoud van de kaden en de tochtsloot (toevoerweg) (de Molen- wetering in dit geval) moest(en) opdraaien. Op 8 juli 1758 werd bij arbitrale uitspraak besloten (door de Viaanse dijkgraaf Gerard van der Hoeve) dat Lexmond en Lakerveld ieder de helft moesten betalen.
Achthoven moest alleen de beurs opentrekken voor het verhogen van de kade tussen de watergang aan de Achthovense kant en de Molen-wetering. (Dus het tegenwoordige wandelpad.)

Later werd besloten dat Lakerveld eerst f 15,00 moest betalen, waarna de kosten gehalveerd zouden worden. Op 27 januari 1838 werd het onderhoud aan de Plukkop voor 5 jaar en elf maanden uitbesteed aan de Meerkerkse timmerman Cornelis Bijl. Borg was ene Adriaan Bijl, en diens nakomelingen zullen we in de toekomst nog in Lakerveld tegen-komen. (“Helaas”: zei menige haas.) (Noot redactie; een deel van het jaag-recht op Lakerveld berust bij de fam. Bijl.) Op de technische delen van het onderhoud van de molens zal ik niet ingaan, want daar hebben we immers een specialist voor.

In 1925 werd de molen half gesloopt en verloor zijn oorspronkelijke taak. De laatste molenaar was A. Versluis, (getrouwd met Mijntje Bassa), behalve molenaar was hij ook nog boer. Zijn veeschuur was de grote zwarte schuur die thans “omgetoverd” is tot woonhuis. Dit bouwwerk is opgetrokken in de zg. “potdeksel” stijl. (overlappende gekoolteerde planken) Eind 19e eeuw werden veel schuren op deze manier gebouwd. (Goed bedacht, want deze bouwwerken zijn zeker millennium proof.)

Ook de romp van de Plukkop wordt als woonhuis gebruikt. Bekendste bewoner was dokter Eenink uit Ameide. Na het buiten gebruik stellen van de Plukkop had ook de Molenwetering geen aan- of afvoer functie van water meer en wordt dus sinds 1925 niet meer onderhouden, vandaar dat ze 75 jaar later totaal is dichtgegroeid. (De kade aan de overkant van de Molen “wetering” heet trouwens de Lakerveldse Molenkade.)

2. De Overtochtse of Roode molen
Wanneer deze gebouwd is, is ook al onduidelijk, maar in 1763 stond deze molen er. De Roode molen lag tussen de Oude Vlietmolen en de Plukkop. In 1905 werd hij gesloopt door de Lexmondse timmerman M. de Koning en de Andelse metselaar P. Tankens, die de molen in 1904 voor f. 502,00 hadden gekocht. Ze mochten echter niet alles hebben: o.a. de onderbouw was uitgezonderd van deze verkoop. (Bron: Archief van het polderbestuur Lakerveld.)
In 1905 moest de “rooie” wijken voor een stoomgemaal. Voor dit er kwam was er al heel wat water door de Zederik gestroomd. Al in 1895 schreven de ingelanden van de polder Lakerveld een brief aan het polderbestuur om de bouw van zo’n gemaal in overweging te nemen, ter verbetering van de waterlozing van de polder. Negen jaar later! (op 28 juni 1904) werd een Hinderwetvergunning afgegeven. Een wat?, ja een Hinderwetvergunning; er schenen dus geen gegronde klachten door eenden, futen, reigers, palingen en de toen nog voorkomende otter ingediend te zijn, want het stoomgemaal met de naam “De Hoop” werd in 1905 gebouwd (De laatste otter in het gebied van de Zederik werd in 1942 gevangen; Bron: W. Jongejan te Meerkerk).
Dit jaar was toch gedenkwaardig voor Lakerveld, want volgens P. Horden Jzn. stormden de meeste Lakerveldse bomen om in 1905; in weerboeken heb ik de datum en de gegevens hiervan (nog) niet kunnen vinden.
De eerder genoemde negen jaar lijkt lang, maar hier komt nog een betere: De Achthovense ingelanden dienden al in maart 1883 een zelfde verzoek in tot de bouw van een stoomgemaal. Wanneer kregen ze het? (In 1925!!, 42 jaar later) Dus beste mensen, geen zorgen over uw aanvraag van een bouwvergunning, die komt er heus wel.

Maar terug naar Lakerveld. Het stoomgemaal “De Hoop” werd mede gefinancierd door de provincie, en had een capaciteit van 80 kubieke meter water per minuut. (Volgens Jan van Wijk was het 90.) Al spoedig na de in gebruikname van dit stoomgemaal bleek deze capaciteit onvoldoende om zowel Lakerveld als Achthoven droog te houden. De Vlietmolen bleef nodig met een maximale capaciteit van 45 kubieke meter per minuut. Het gemaal “De Hoop” en de woning werden in 1996 gesloopt.

3. De (Oude) Vlietmolen
Deze bestond waarschijnlijk al in 1609, want op 25 januari van dat jaar worden er door Walraven van Brederode regels uitgevaardigd betreffende de windvang. De molen werd uitgeschakeld in 1986 en was de oudst werkende molen in onze streek. Verbouwingen aan de molen vonden o.a. plaats in 1828, (“nieuwe buitenroede”, uit een gesloopte molen uit Vianen) 1848 en 1855, 1876 (levering van ijzeren scheprad, wateras en waterstoel door de “Utrechtse IJzer-gieterij”) en 1980. (Buitenroede uit 1828 begaf het en de kap werd vernield; hierna werd een compleet nieuw wiekenkruis aangebracht)
In 1903 kwam de uit Langerak afkomstige Cees van Wijk (zie foto op volgende blz.) op de molen, hij was getrouwd met Jaan van Houwelingen. Cees had gesolliciteerd naar deze baan omdat het stoomgemaal dat eraan kwam hem interesseerde.
Tragisch is dat Cees van Wijk maar vier en half jaar zijn functie kon vervullen.

Op 20 mei 1908 overleed Cees van Wijk “de eerste Lakerveldse stoommolenaar” op 32-jarige leeftijd, zodat Jaan van Houwelingen met 5 jonge kinderen (Jan, Willem, Aagje, Arie en Cornelia (Kee)) achter bleef. Haar ongetrouwde broer “Sjaan” (Bastiaan) van Houwelingen uit Goudriaan (zie foto) werd op 1 oktober 1909 tot molenaar benoemd.

Cees van Wijk
Sjaan van Houwelingen

Op 1 januari 1938 verscheen de zoon van Cees van Wijk (Jan van Wijk) als molenaar op de molen.
Waarom Jan? Wel, Willem en Arie waren inmiddels getrouwd en ver-trokken. Jan bracht wel de nodige ervaring mee, want op 13 jarige leeftijd (1916) werd hij al het hulpje van ome Sjaan.
Deze Jan; pijp en sigaar rokend en pruimtabak kauwend was in molenaarskringen bekend onder zijn bijnaam “de beer”: omdat hij in geval van nood soms een week (laten we het op 4 dagen houden) zijn bed niet zag. Voor mij staat hij op de lijst van opmerkelijke figuren binnen de Lakerveldse geschiedenis. Jan woonde op de molen met zijn vrouw Annigje Wallaard tot 1959. In dat jaar verhuisden ze naar de woning behorende bij het eerder genoemde stoomgemaal; dat in-middels (1946) een elektrisch gemaal was geworden. (Hiervoor leende het Lakerveldse polderbestuur f. 8000,00 en dat was een flink bedrag in 1946.)
Het stoomgemaal met de pijp moet trouwens tot 1946 een indrukwekkende verschijning aan de Zederik geweest zijn.

“De Hoop” als stoomgemaal

In 1996 ging Jan van Wijk elders van zijn wel verdiende rust genieten. Zijn vrouw Annigje was inmiddels in 1989 overleden. Het huwelijk bleef kinderloos, dus geen nieuwe van Wijken op deze molen. Anno 1998 was Jan van Wijk nog aanwezig op een vergadering waar een lezing over molens gegeven werd. Molenaar is zo’n vak wat je nooit loslaat en vaak in de familie zit. De van Wijken waren ook nog molenaars in Hoornaar, Kedichem, Bleskensgraaf, Langerak en Groot-Ammers. Bij de verhalen over twee andere Lakerveldse molens zullen we opnieuw zo’n molenaarsgeslacht tegenkomen. (Ik weet niet of molenaars klagers waren, of de polder Lakerveld een slechte werkgever; maar zowel in 1903, 1916 als 1944 deden de Lakerveldse molenaars een verzoek aan het polderbestuur om salarisverhoging) De meeste molenaars hadden trouwens wat bijverdiensten; voor Jan van Wijk was dat vissen.
Hoeveel paling Jan in zijn leven bij de Vlietmolen gevangen heeft is onbekend, het is zeker dat er dat erg veel geweest moeten zijn. (Drs. H. Ouweneel vermeldt in zijn boek “Op Molenpad” het gegeven dat Jan van Wijk viste, maar als kind heb ik het ophalen van zijn fuiken gezien, het beeld daarvan staat me nog steeds duidelijk voor ogen) (Zo’n beeld betekent vaak meer dan welke regel ook in een willekeurig geschiedenisboek) Bovendien verwierf Jan van Wijk in 1956 het visrecht van de in de polder gelegen watergangen. (Menige vis zal dit een verkeerde beslissing hebben gevonden; helaas kan ik dit niet meer navragen) Als Jan tijdens het vissen zijn brood vergeten was, was er niets aan de hand. Maar zat hij zonder pruimtabak dan was het onmiddellijk terug naar de Vlietmolen.
Voor de echte liefhebbers onder ons: de Vlietmolen had een vlucht van 26.00 meter. De middellijn van het scheprad bedroeg 5.80 meter, en de schoepbreedte was 0.44 meter.
Hoewel afgelegen van het dorp was de Vlietmolen volgens mij een begrip voor elke Lexmonder. Sinds 1990 woonde er mevr. H. van Krimpen, als vrijwillig (toeristisch) molenaarster, later opgevolgd door P. Hoek.

Op zaterdagmorgen 1 november 1997 brandde de Vlietmolen af, en verscheen menige ramptoerist met videocamera en fototoestel op de “Zeerikkaai”. Ondergetekende kwam met z’n ogen “de schaai” opnemen en behoorde dus ook bij de ramptoeristen.
Voor de op 1 oktober j.l. op 96-jarige leeftijd overleden Jan van Wijk zal die datum van 1 november 1997 veel betekend hebben. Hoewel het nog wel even zal duren, zal de Vlietmolen in de nabije toekomst weer opgebouwd worden en opnieuw over de Zederik en de Lakerveldse polder uitkijken.
En zo hoortet ok; Jan van Wijk zou het gezegd kunnen hebben, maar zal het tragisch genoeg niet meer meemaken.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *