Geschiedenis van Lakerveld (22)

KRONIEK
2005-2

Gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog

Peter de Pater
Inleiding

Het eerste slachtoffer van elke oorlog is de waarheid. Dit geldt ook voor Lakerveld. Veel valt over Lakerveld in de Tweede Wereldoorlog te vertellen; veel moet nog steeds verzwegen worden. En nog meer wordt totaal verschillend uitgelegd. Ieder heeft immers haar/zijn eigen waarheid.

Een verhaal schrijven over een periode die je niet meegemaakt hebt is niet eenvoudig. En zal door de lezer(es) die deze periode wel ervaren heeft misschien van het commentaar: “Hij weet niet waar-over hij het heeft” voorzien worden. Daar komt nog iets bij: onze voorzitter W. van Zijderveld publiceerde in 1995 het formidabele boek: “In Lexmond gebeurde niets”.

In dit boek wordt Lakerveld meerdere malen vermeld. Het is dus niet gemakkelijk om met nieuwe gegevens te komen. Toch zal ik een poging wagen. Ook Van Zijderveld stuitte trouwens op het probleem van de verschillende uitleg van de waarheid. Over geen onderwerp als “de oorlog” zijn zoveel boeken geschreven. En ze worden nog steeds geschreven. En ze roepen nog steeds reacties op. En soms verbazing van mijn kant: om dicht bij huis te blijven: de heer N. Korpel publiceerde in 1984 drie boeken met als titel” “De Waard in oorlogstijd”. N. Korpel nam geen blad voor zijn mond. In zijn boeken over de Alblasserwaard in de Tweede Wereldoorlog wordt veel keren “man en paard” genoemd. Het sterkste staaltje leverde hij door een geliquideerde verrader bij naam te noemen en zijn huis te foto-graferen. In 1984!, 39 jaar na de oorlog!, publiceerde hij deze verhalen. In 2005!, 60 jaar na de oorlog, moet ik nog voorzichtig zijn in Lakerveld.

Daar komt nog iets extra’s bij: de Engelsen maakten 20 jaar geleden al twee comedies over de Tweede Wereldoorlog. Ik bedoel hiermee de T.V. series “Allo allo” en “Dad’s Army”. In Nederland was dit ondenkbaar geweest.

Vervolg

In de volgende bijdrage zal ik o.a. de oorlogservaringen van mijn opa Peter de Pater (29 juni 1895 – 27 december 1987) gebruiken. Hij was geen verzetsman, ook geen collaborateur, maar net als de meeste Nederlanders een man die onder moeilijke omstandigheden twee doelen had: overleven, en met eer en geweten omgaan met de dingen die je tegenkwam. Misschien hadden o.a. de crisisjaren hem dit wel geleerd. Bovendien had hij net als de meeste landgenoten totaal geen idee van de slagkracht van het Duitse leger in de beginjaren van de oorlog, en van het verloop ervan in zijn totaliteit. Sommige regionale bewoners beschouwden de illegale bladen, de luchtpost en Radio Oranje als de objectieve bronnen. Dit is onjuist; objectieve bronnen bestaan niet in een oorlog. Alle drie hadden een overigens niet te onderschatten psychologische functie. Voor het overgrote deel een positieve (het moreel hoog houden), soms een negatieve. Misschien is “Dolle Dinsdag” op 5 september 1944 wel het beste bewijs hiervan. Het gerucht ging dat de bevrijding er aan kwam. De Lexmondse burgemeester Hoogeboom nam de “kuierlatten”. En een aantal streekgenoten bleek ineens in het verzet te zitten. De bevrijding was ver weg, en de ergste periode van de oorlog brak aan. De hongerwinter, en een door Lexmond, Lakerveld, Kortenhoeven en Achthoven gevuld gebied met evacués en onderduikers met alle problemen vandien was de realiteit. In deze periode deed menige anonieme Lakervelder haar/zijn plicht. Onze loco-burgemeester Jac. de Jong leidde met “Bloed, zweet en tranen” dit proces in goede banen. Mede door zijn geloof was hij overtuigd van de “Eindoverwinning”. Jac. de Jong werd ondersteund door een commissie, waarvan Meester Willem Karel Haafkens waarschijnlijk het bekendste lid was. Ook dit stukje was waarheid volgens Peter de Pater, moet u maar denken.

Lakerveld

Op de zeer vroege morgen van 10 mei 1940 werd mijn opa wakker van het motorgeluid van laagvliegende Duitse vliegtuigen, die van over het kanaal in westelijke richting over de “Oude Zederik” vlogen. Hij wekte mijn toen 14-jarige vader met de woorden: “We zitten in den oorlog”. Oorlog was geen nieuwe ervaring voor mijn opa. In 1914 werd hij als jonge jongen opgeroepen voor zijn dienstplicht, en geplaatst in het dorpje Wolfhaag, een gehucht net onder Vaals in Zuid-Limburg. De Eerste Wereldoorlog (waarin Nederland overigens neutraal was) zou spoedig uitbreken. Op de late avond van 12 augustus 1914 maakte hij iets mee, dat hij zijn leven niet meer zou vergeten. Het Duitse leger opende het vuur op de forten van Luik. Ze deden dit met een wapen, waarvan niemand, behalve de Duitse legerleiding en de kanonniers, wisten dat het bestond. Het Krupp 420 kanon, beter bekend als “de Dikke Bertha”. Het zuiden van Limburg trilde op haar grondvesten, en opa bleef er desgevraagd tot zijn overlijden toe over vertellen.

Voorste rij, vierde van links, Peter de Pater in 1914.

Ik ben er nog steeds van overtuigd, dat deze ervaring en de crisisjaren er toe geleid hebben, dat hij de Tweede Wereldoorlog met een bepaald vermogen aan relativering beleefd heeft. Natuurlijk wist ook hij niet dat oorlogvoering in 1940 iets anders was dan in 1914. We keren terug naar die 10e mei 1940. Zo rond de middag vlogen de Duitse vliegtuigen al op vrij grote hoogte. Dit werd waarschijnlijk veroorzaakt door de grote verliezen, die de Luftwaffe in de regio Den Haag geleden had. De hardnekkige Lakerveldse anekdote, dat de Duitse vliegtuigen zo laag vlogen dat ze bijna de steel van de himphamp van een slotende boer raakten, zullen we voor kennis-geving aannemen. Een boer die op een vroege morgen in mei aan het sloten was, moet sowieso een merkwaardig heerschap geweest zijn. In de dagen na die 10e mei vonden zich terugtrekkende Nederlandse soldaten onderdak in Lakerveld. Een aantal vestigden zich in de hoge hooischuur, die nog steeds onderdeel uitmaakt van Lakerveld 252/254.( Mijn woonadres.)

Hooischuur, Lakerveld 252/254 in 2005.

Toen zij op de 15e mei opdracht kregen zich over te geven, gooiden ze zwaar gefrustreerd hun munitie weg. Frustratie of overgave, misschien was het laatste hun persoonlijke redding. Detail: het standaardwapen van het Nederlandse leger was een geweer dat rond 1890 in Oostenrijk gefabriceerd was. Na elke 5 schoten moest het worden herladen. De Duitsers beschikten over de Schmeisser, een pistoolmitrailleur van hoge kwaliteit en een standaardgeweer dat anno 2005 in Rusland nog steeds geliefd is als jachtwapen op groot wild. Dit wapen was vooral functioneel omdat het zeer licht van gewicht was. De Lexmondse verzetsstrijder Herbert (Heppie) Bikker heeft tot ver na de oorlog zo’n wapen in bezit gehad. In de meidagen van 1940 maakte Heppie Bikker als cavalerist op de Grebbeberg trouwens kennis met het op dat moment best getrainde en uitgeruste leger ter wereld. Natuurlijk was het Nederlandse leger kansloos, hoewel de tegenstand het Duitse opperbevel verbaasde. Nederland en dus ook Lakerveld werden bezet door de Duitsers.

Historisch gezien waren El Alamein en Stalingrad de keerpunten in de oorlog. Maar het eerste teken voor Lakerveld dat de oorlog aan het kantelen was, was misschien het feit dat er medio 1943 ineens horden vliegtuigen van over de Oude Zederik richting het kanaal begonnen te vliegen. De omgekeerde volgorde van 10 mei 1940. De Duitsers hadden het luchtoverwicht verloren. Lakerveld zou hier kennis mee maken. Lakerveld, liggend in het midden van ons land, was een logische vluchtroute voor de geallieerde vliegtuigen richting het economische hart (het Ruhrgebied) van Duitsland. De radarpost Gorilla, als steunpunt van het vliegveld Soesterberg, stond niet voor niets in Schoonrewoerd. Door dit gegeven vonden er regelmatig luchtgevechten plaats boven de polder. Interessant gezicht natuurlijk. Opa en mijn vader keken ernaar, terwijl een Duitse soldaat dekking zocht in de stal. Deze Duitser kende de kracht van de vliegtuig- mitrailleur.

Een Duitse soldaat met motor en zijspan, moest bij het voormalige café Halfweg zijn. Für Schnapps vielleicht?

Effe naar Kobus had hij misschien ergens gehoord. Het door Kobus Schrijvers beheerde café was al voor de oorlog een bekend adres. Hij vroeg mijn vader de weg te wijzen, en in het zijspan plaats te nemen. Waarschijnlijk wilde hij niet voor de gek gehouden worden. Net vanaf het pad, zag de Duitser een geallieerd vliegtuig naderen. Hij besloot op de boerderij van de buren dekking te zoeken onder de hooischelf. Mijn vader bleef in het zijspan. Zonder gevolgen. Ook deze Duitser kende het gevaar van de vliegtuig-mitrailleur.

Sommige bezetters waren “behalve Duitser ook mensch” om Jac. de Jong maar eens te citeren. Op Meerkerk gelegerde Duitsers hielden een schietoefening op de Oude Zederik. Mijn opa en vader waren aan het werk op de 14-hont. (Een perceel land, gelegen op Lakerveld-West naast het tegenwoordige huis van Peet Vroon, toen bewoond door Toon den Braven, Lakerveld 221.)

Lakerveld 221 (fietspad langs de Zederik, naar Meerkerk).

Een Duitse soldaat kwam de Zederikkade aflopen en waarschuwde mijn opa en vader, die hals over kop naar huis renden. Toon den Braven bracht zijn geit in veiligheid. In het voorjaar van 1944 kon Toon den Braven zijn hele gezin in veiligheid brengen voor de inundatie. Wat hij met zijn in Lakerveld bekende bokken en geiten gedaan heeft, vermeldt de geschiedenis niet.

Sommige Duitsers schoten overigens niet best, en enige kogels eindigden in de molen van Jan van Wijk. Ik denk niet dat Jan er erg van onder de indruk was.

Lakerveld na 5 september 1944.

De gevaarlijkste en moeilijkste periode voor Lakerveld brak aan na zg. “Dolle Dinsdag”. De bevrijding leek nabij, maar was ver weg. Sommige Duitse soldaten verloren het geloof in de Eindoverwinning, en waren moedeloos. Ze keken met ontzag naar de geallieerde luchtvloot die de ‘Heimat’ ging bestoken. Op Lakerveld 252 zaten een aantal Duitse soldaten tegen de muur van de hooischuur. “Hij is nog goed, ik niet meer” : sprak een Sudeten-Duitser tegen mijn opa. “Ik ben boer, mag ik mee melken?”. Ja, dat mocht hij. Omgekeerde “Arbeitseinsatz” heb ik weleens gedacht. Andere Duitse soldaten in Lakerveld bleven geloven in de overwinning. In deze zelfde periode beschilderden ze de huizen van Jan Bassa en Goof Scherpenzeel met de leuzen “Sieg oder Tot” (Winnen of de dood.) en “Wir werden Siegen” (Wij zullen winnen.) Ook hier is genoeg over geschreven; het ging mij slechts om de onvoorspelbaarheid van het gedrag van de Duitse soldaten. Het gevaar hiervan is wel eens onderschat, denk ik. Eind september 1944 verloren de geallieerden definitief ‘de slag om Arnhem’, die op 17 september was ingezet. De Betuwe werd frontgebied, en een golf evacués uit deze regio was het gevolg voor Lexmond. Ik overdrijf niet als ik hier beweer dat op 1 januari 1945 meer dan 20 % van de Lexmondse bevolking uit evacués en onderduikers bestond. Lakerveld deed haar plicht, het gebied was gevuld met deze mensen. Op de meeste adressen in Lakerveld waren de evacués ondanks de moeilijke voedselvoorziening welkom. Volgens het volgende citaat van Jac. de Jong deden sommige Lakervelders meer dan hun plicht.

Een eervolle vermelding als kwartiergever moet genoemd worden. De Wed. Gerrit van Bezooijen* en kinderen. Zij hebben 2 zeer oude menschen man en vrouw in vervuilden toestand opgenomen en verpleegd. Beiden zijn zij te hunne huize overleden. Bij de commissie is over of van deze menschen nooit een klacht binnen gekomen.

*   Met de Wed. Gerrit van Bezooijen wordt mevr. Elisabeth van  Bezooijen-van Bezooijen bedoeld. Grootmoeder van de bekende  Lakervelder Gerrit van Bezooijen. (inmiddels trouwens Meerkerker) Het verhaal speelde zich af op Lakerveld 72.

Lakerveld 72

Ook op Lakerveld 252 bevonden zich evacués. Ze probeerden soms in hun eigen voedselvoorziening te voorzien. Over de bevroren Lakerveldse inundatiepolder jaagden ze op uitgeputte meerkoeten. Nu is het vlees van een meerkoet sowieso niet te eten. Laat staan dat van zo’n meerkoet, die geen open water had, en zich over het ijs worstelde. Dit past in de rij van de tulpenbollen etc.

Ook deze laatste oorlogswinter was trouwens zeer koud. Kolen konden goed gebruikt worden. Lakerveld-Oost had het voordeel dat het grensde aan het Merwedekanaal, waar regelmatig kolenschepen afmeerden. Voor mijn opa het signaal om in de nacht de polder in te trekken en bij de schepen kaas tegen kolen te ruilen. Sommigen zullen dit misschien zwarthandel noemen. Voor mij blijft het overleven van twee kanten.

Na 5 mei 1945 bleven diverse evacués in Lakerveld aanwezig. De Betuwe was niet zomaar herbouwd. En sommige evacués maaiden het zg. inundatiehooi. Ook ontstonden er blijvende contacten tussen evacués en de Lexmondse bevolking.

In februari 1945 begingen sommige Meerkerkers een foutje:
“Sie klauten einige Deutsche Stiefel”, ofwel ze stolen een stel Duitse laarzen. De Duitsers stelden een ultimatum. Laarzen terugbrengen, of we gaan Meerkerk plunderen. Menige Meerkerker bracht zijn waardevolle goederen in veiligheid. Het ‘benedenend’ van Lakerveld kreeg hiermee te maken. De Lakervelder Koen Slagboom bracht spullen van veearts Goedhart en dokter Spijkerboer in veiligheid op Lakerveld 256. Hij moest dit met paard en wagen doen, want de vrachtwagen van zijn vader Cees Slagboom was door gebrek aan brandstofbonnen uitgeschakeld. Koen vervoerde alleen tassen met medisch gereedschap. De Meerkerker Adriaan Bijl, wonend in het latere huis van burgemeester Berends bij de brug in de Tolstraat, vond een goed adres bij zijn Lakerveldse jachtgenoten ‘Aai en Hap’ de Jong op Lakerveld 206 om het één en ander te verbergen. Andere Lakervelders die voor opvang van Meerkerkse goederen zorgden waren Wout van Iperen, Piet Boogaard en Merten Burggraaf. De bekende Meerkerkse wagenbouwer Jan van Peet verhuisde zijn hout naar zijn Lakerveldse kennis Peter de Pater (mijn opa dus). Misschien klinkt dit merkwaardig, maar voor Jan van Peet was goed hout bijna gelijkwaardig aan goud. Of het toeval of dankbaarheid was weet ik niet, maar de eerste bandenwagen die Jan van Peet na de oorlog bouwde was voor de boer op ondergetekend adres. De koperen plaatjes heb ik er natuurlijk afgehaald. Het laarzenverhaal liep overigens goed af. Ze werden terugbezorgd bij burgemeester Geleens. En zo konden alle Meerkerkse goederen in Lakerveld terug naar de buren. Lakerveld had haar best gedaan. Lakerveld leverde geen verzetshelden, maar had wel veel mensen die anoniem hun plicht deden. Misschien belangrijker? Echte oorlogshelden zijn de onbekenden die zelden of nooit genoemd zijn, en eigenlijk nooit genoemd hadden willen worden. Waarheid volgens schrijver.

Tenslotte

Anno 2005 schijnt het een gewoonte te worden, om uit te zoeken wie nou de grootste of bekendste Nederlander was. Zelfs Lexmond ontkwam hier niet aan; het gouden, zilveren en bronzen potlood werd ingevoerd. Mag ik hier volgens mij de drie grootste Lexmonders in de Tweede Wereldoorlog ten tonele voeren?: Mevr. Schrijvershof-de Groot, Evert van Dijk en Jacob de Jong. (Volgorde: vrouwen eerst. Mannen in alfabetische volgorde.) Waarom deze drie? Wel, ieder van hen verrichtte op een totaal verschillende manier een moeilijke taak, waar ze geen van allen om gevraagd hadden, en waarbij de dood soms angstig dichtbij was. Voor diegenen die het boek “In Lexmond gebeurde niets” van W. van Zijderveld niet kennen, de volgende zeer korte uitleg.

  1. Mevrouw Schrijvershof-de Groot was de echtgenote van Nicolaas Schrijvershof, de Lexmondse gemeenteagent in de Tweede Wereldoorlog. Nicolaas zat in het verzet, en in zijn huis bevonden zich de nodige wapens. Uiteraard wist zijn vrouw daarvan. De door de Duitsers aangestelde agent De Letter kreeg van haar te horen dat hij zich aan diende te passen aan Lexmond. Hoewel waarheid verschillend kan zijn, zijn de meningen van de mensen die haar meegemaakt hebben unaniem positief. Hier is geen enkel misverstand over. Een onverschrokken vrouw.

 

2. Evert van Dijk, woonachtig op Scherperswijk, bracht in september 1944 de Amerikaanse piloot I.B. Holleman in veiligheid, en ontving hiervoor twee bedankbrieven: één van de Amerikaanse ambassade, en één van het Awards Bureau. Ook hier is al zoveel over geschreven, dat ik niet in herhaling zal vervallen. Daar komt nog iets persoonlijks bij. Bij het lezen hiervan zal Eef waarschijnlijk zeggen: “Peter, waarom moet je dit nou nog een keer op-schrijven”. Eef is iemand, die mij veel informatie geleverd heeft voor de Lek en Huijbert Kroniek. Op sommige vragen antwoordde hij: “Dat weet ik niet, daar ben ik te jong voor”.

3. Jacob de Jong was na “Dolle Dinsdag” onze loco-burgemeester. Hij stond voor de onmogelijke opgave om zowel het reilen en zeilen van Lexmond, als het gedrag van de Duitsers, de positie van de illegaliteit en de problematiek van de evacués met elkaar in overeenstemming te brengen, zodat een ieder tevreden was. Toch is hij hierin voor het grootste deel geslaagd. Ik vind dat zijn rol in de Tweede Wereldoorlog nog weleens onderschat wordt.

Natuurlijk mag u het met mij oneens zijn over deze keuze. Het was slechts de keuze van iemand, geboren in 1956. Hij heeft geprobeerd te luisteren, te lezen en na dit alles zijn eigen waarheid te schrijven. Wat Lakerveld betreft: “Best volk daar.” De oud ‘Termeise’ verzets-man Peter van Toor vermeldde dit trouwens al op 24 oktober 2002 in het “Nieuwsblad van de Historische Vereniging Ameide en Tienhoven”.

Bronnen:

Archief Jac. de Jong
Archief Peter de Pater

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.